Doseer je beschrijvingen (en dus beeld)

Beschrijvingen

Wat een merkwaardige schrijftip: ‘Doseer je beschrijvingen (en dus beeld).’ Een hele mond vol, verschillende dingen bij elkaar, maar stiekem toch ook niet. Ze horen bij elkaar. En overdoseer je ze, dan kan dat giftig zijn voor je verhaal.

Nog niet eens zo heel lang geleden kreeg ik een heel goede, in mijn ogen zelfs een van de beste, tip van een collega-auteur. Zij las mijn manuscript van Meerminnen verdrinken niet van A tot Z en merkte op: ‘Je het boek zit bomvol sfeer. Hier en daar zou ik iets minderen met beeld. Ook heb je veel beschrijvingen die prachtig zijn, maar soms wil je als lezer door met het verhaal. En wie weet zijn hier en daar nog wat bijvoeglijke naamwoorden te schrappen.’

Minder beschrijvingen? Minderen met beeld? Bijvoeglijke naamwoorden schrappen? Waarom? Ik probeer het je uit te leggen.

Overdoseer bijvoeglijke naamwoorden niet
Teveel beeld werkt vertragend
Beschrijvingen moeten iets toevoegen
Juiste dosis verwijzingen en metaforen
Gemeenschappelijke deler in mijn schrijftips 

Overdoseer bijvoeglijke naamwoorden niet

Toen ik zeventien jaar geleden begon met schrijven probeerde ik mijn verhalen mooier en levendiger te maken door zoveel mogelijk beschrijvingen met verschillende bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken. Ik googelde zelfs op ‘leuke bijvoeglijke naamwoorden’. (Niet doorvertellen, hè?). Naarmate ik langer schreef ging ik minder ‘krampachtig’ met het inkleuren van mijn verhalen om. Maar ik geef eerlijk toe: ik heb nog steeds de neiging om bloemrijk te schrijven. Ik wil dingen gewoon graag benoemen.

Hoewel ik een overdosis van bijvoeglijke naamwoorden vooral als een ‘beginnersfout’ zie, werd ik er toch op aangesproken door een proeflezer van het manuscript van mijn laatste boek. Realiseer je dat het schrappen van bijvoeglijke naamwoorden versterkend kan werken. Het effect kan enorm zijn. Het is best interessant dat de gordijnen in je verhaal van kant zijn en bordeauxrood van kleur, maar vaak is gewoon ‘rode gordijnen’ meer dan goed. Zeker als de zinnen eromheen óók al aardig wat kleur hebben. Met gewoon ‘rode gordijnen’ vraag je minder van je lezer en geef je toch sfeer en detail. Ik laat je een stukje uit ‘Meerminnen verdrinken niet’ zien waar ik specifiek een opmerking op mijn overdosis aan bijvoeglijke naamwoorden kreeg:

Waar ze ook keek, het was alsof ze telkens dezelfde kerkbank zag: een donkere waas van zondagse klederdracht met witte kappen erboven. De vrouw naast haar droeg een donkergroene jurk met lange mouwen en een grote, kanten kap op haar hoofd. De muts was mooier dan de kap van de tante.

‘Teveel donker’ merkte de proeflezer, terecht, op. Ik schrapte ‘donker’ en het stuk werd beter.

Ik hou niet van bloemen. Alleen van hortensia’s. Toch schrijf ik bloemrijk 😉

Teveel beeld werkt vertragend

Ik vertelde je zonet dat ik bloemrijk schrijf. Zo wordt schrijven met veel bijvoeglijke naamwoorden en beeld ook wel genoemd. Hou je net als ik van kleur en beeld en probeer je filmisch te schrijven? Pas op! Met beeldoverwoekering zie je door de bomen het bos niet meer. Teveel beeld werkt namelijk vertragend. In mijn schrijftip Beperk het gebruik van lange zinnen prees ik Raynor Winn om haar perfecte mix van lange, middellange en korte zinnen in een poëtische schrijfstijl in haar ‘Het Zoutpad’. Nu kom ik weer met Raynor Winn. Hoewel het vervolg ‘De wilde stilte’ vooral door professionele recensenten wordt geroemd en geprezen, ben ik er niet wild van. Waarom niet? Raynor stopte in het vervolg teveel beeld naar mijn smaak. Ze stopte er bizar veel beeld, ellenlange beschrijvingen en zinnen in. Die liefde voor de natuur en de beschrijvingen van vogels, bomen en herten: ik had er na een pagina of dertig wel genoeg van. Er kwamen flashbacks naar haar jeugd met nóg meer beelden en beschrijvingen. Ook werkt ze in dit boek telkens met een ontzettend lange aanloop. Er klinkt in je achterhoofd tromgeroffel, maar er gebeurt uiteindelijk vrij weinig. Ze werkte ook telkens met de constructies:
‘En daar was hij.’
‘En daar was het’.
Gevolgd door een dubbele punt.
En dan kwam er weer een natuurbeschrijving.
Het verhaal was naar mijn gevoel zeker twee keer trager dan ‘Het Zoutpad’ en niet zo mooi. (Maar omdat ik ‘Het Zoutpad’ zo ontzettend mooi vond, zal ik deel drie waarschijnlijk toch lezen ;)).

Beschrijvingen moeten iets toevoegen

Ik kom even terug op de kritische opmerking op het manuscript van Meerminnen verdrinken niet: met veel pijn in mijn hart moest ik een aantal beschrijvingen, waarover ik zelf lyrisch was, schrappen. Waarom? Omdat op bepaalde punten teveel beschrijvingen achter elkaar kwamen. Doordat ik veel beschreef en veel sfeer (ook wel beeld) wilde scheppen vertraagde ik mijn verhaal. Dat zou bij veel lezers kunnen leiden tot het wegleggen van mijn boek. En dat wilde ik niet! Ik geef je een kleine ‘bonus’. Een beschrijving waar ik heel blij mee was, waar de proeflezer zelfs ‘mooi stuk!’ bij had gezet, maar die ik moest schrappen omdat ze niets toevoegde aan mijn verhaal.

De lucht boven Bruinisse was een teleurstelling. Die had ze zich heel anders voorgesteld. Ze moest niet zo grauw zijn als nu, niet zo volgestouwd met wolken. Ze moest stralend blauw zijn, met gemoedelijke rimpelingen erin, als zachte golven. Met hier en daar een schuimkopje en een waterig zonnetje, dat zachtjes de straten verwarmde.

Deze mooie beschrijving kwam uiteindelijk niet in ‘Meerminnen verdrinken niet’.

Juiste dosis verwijzingen en metaforen

Ik maakte in mijn manuscript dezelfde ‘fouten’ als Raynor Winn en daar werd ik op aangesproken door mijn proeflezer. Ze had gelijk. Met al die beelden, al die settings, die ik telkens in elke scène schetste, vroeg ik nogal wat van de lezer. Het werkt écht zoals zij aangaf: gebruik niet teveel beschrijvingen, ook al zijn ze prachtig, want soms wil de lezer door met het verhaal. Hetzelfde geldt ook voor verwijzingen en metaforen. Ik ben er dol op en gebruik ze vaak om mijn verhalen gelaagd te maken. In ‘Meerminnen verdrinken niet’ zit een heel verdrietige scène waarin Janna’s moeder is overleden. Janna bezoekt haar nog een laatste keer (in het gekkenhuis). In de oorspronkelijke scène had ik een verwijzing naar het bekende sprookje ‘Doornroosje’ gestopt. Ik heb veel met sprookjes en het beeld van de moeder van Janna op het bed, met gesloten ogen, riep meteen het sprookje van de schone slaapster bij mij op. Uiteindelijk schrapte ik het stuk met die verwijzing erin (tussen haakjes) en het werd er beter van.

Wat wel gebeurde, was dat Janna op een dag afscheid van haar moest nemen.
Mama lag op een bed met een kraakwit laken, onbeweeglijk en bleek, met haar gouden krullen om haar gezicht en haar stormogen gesloten.
(Over honderd jaar wordt ze wakker, hoopte Janna.
Maar ook dat zou niet gebeuren.
En zeker niet over honderd jaar.)

Tussen haakjes een geschrapte scène uit ‘Meerminnen verdrinken niet’ met een vage verwijzing naar het sprookje ‘Doornroosje’.

Gemeenschappelijke deler in mijn schrijftips

Eigenlijk is deze tip, maar zijn ook mijn voorgaande schrijftips, goed samen te vatten tot ‘schrijf zo afwisselend en gevarieerd mogelijk’. Dat vindt in ieder geval @zeg_maar_ , schrijver van korte poëzie en gedichten. Hij stuurde me dit in een PM, naar aanleiding van onder andere mijn tips over het beperken van lange zinnen en actief versus passief schrijven. ‘Schrijf zo afwisselend en gevarieerd mogelijk’. Hij vulde dat aan met: ‘Maar dat is wat kort voor de bocht, nietwaar?’ En daarna kwam hij met een prachtige ‘hersenscheet’. Deze deel ik volgende week met je, in mijn Top 5 schrijfstijl tips. In dat artikel kom ik nog eens terug op mijn voorgaande tips, maar zal ik je vooral een verhelderende kijk op die gemene deler geven. Dat inzicht is namelijk al een schrijftip op zich. Tot dan!

Liefs, Saskia

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *